De ogen van Ali
Ik sta op de trein te wachten. Plots voel ik een hand op mijn schouder. Ik draai me om en kijk recht in de warme ogen van Ali.
“Dag Bert!” lacht hij. “Dat is lang geleden. Hoe gaat het? Wacht jij ook op de trein? Ik moet naar Gent. Ik werk daar in een hotel.”
Wat spreekt hij goed Nederlands! Wat een verschil met twee jaar geleden. Toen kon hij er niks van. Ik kan het weten, want ik was zijn leraar.
“Ali”, lach ik. “Wat is er gebeurd? Je spreekt zo goed! Ik ben trots op jou.”
Zijn ogen stralen. En mijn ogen stralen. Zo staan we daar even. Dan vraagt hij: “Ga je mee een koffie drinken, Bert? Ik betaal!”
Het voelt soms raar. Maanden en maanden zit je samen in de klas. Je deelt vreugde en verdriet. Je lijkt wel familie.
Maar je bent geen familie. En altijd komt er een dag die de laatste is. Zo werkt het in de klas. En zo hoort het.
Ik leg mijn hand op zijn arm en zeg: “Nee, dank je Ali. Ik moet verder.” Hij knikt en legt ook een hand op mijn arm. “Tot ziens, Bert!”
Dan gaan we elk onze eigen weg.
